Bezoek onze eigen webstek!

 

 

ZORGPROJECT

- Leefgroep De Schering -

2009-2013



Inhoudstabel:


1. Historiek MPC en De Schering

2. Situering Azetta

3. Doelgroep De Schering

4. Visie & werking De Schering

5. Samenwerking met school

6. Team De Schering

7. Gezinsbegeleiding

8. Procedures

8.1. Opname, diagnostiek en werkhypothese


Tekst geschreven door team De Schering, met dank aan oprichters De Schering


1. Historiek MPC & De Schering


De Schering is een leefgroep voor jongeren die bovenop hun mentale handicap ook te kampen hebben met ernstige gedrags- en emotionele stoornissen (GES+). Al geruime tijd voor de oprichting van de Schering in 2009 werden we binnen het MPC geconfronteerd met gevoelens van machteloosheid en frustratie wanneer de voorziene trajecten niet afdoende bleken om sommige jongeren blijvend op te vangen. Vaak zijn dit jongeren die geen voltijds schoonprogramma aankunnen, of vanwege de vele uitsluitingen zelfs geen school meer vinden. Hun traject wordt dus noodgedwongen afgebroken, en wel op een moment dat continuïteit, stabiliteit en een volgehouden engagement voor deze jongeren cruciaal zijn.

We botsten op beperkingen van diverse aard: infrastructurele tekorten, de ontoereikendheid van een louter pedagogische beleid, de structurele limieten van gedecentraliseerde huizen (buitenhuizen), personeel dat uitgeput raakte, enz. Daarnaast was het vaak onduidelijk welke partners binnen gehandicaptenzorg, bijzondere jeugdzorg en psychiatrie het best geplaatst zijn om deze moeilijk begeleidbare jongeren op te vangen.

Met het besef van de beperkingen groeide ook het vertrouwen dat we binnen het MPC doorheen de jaren heel wat ervaring en kennis hadden opgebouwd om ook deze jongeren verder op te vangen. Maar dan zou er wel een stevig netwerk en een doorgedreven samenwerking nodig zijn om hun problematiek te kunnen blijven dragen.

De samenwerking met de scholen van Sint-Franciscus stond reeds op poten met de tijdelijke dagbesteding, die later werd aangevuld met initiatieven vanuit de school (Lokaal 5, Pitstop, Tateljee en later De Vangrail).

Wanneer bleek dat ook de buren van VZW Zonnelied – een instelling voor volwassenen met mentale handicap en gedrags- en emotionele stoornissen) met gelijkaardige thema’s worstelden, en dat onze psychodynamische insteek en hun psychoanalytische benadering elkaar aanvulden, was het moment gekomen om de handen in elkaar te slaan.

Zo is vanuit het MPC, de scholen Sint-Franciscus en Zonnelied een nieuwe samenwerking ontstaan, onder de naam Azetta.


2. Situering Azetta


“Azetta” is de Berberse benaming voor het weefgetouw waarmee de Berbervrouwen unieke stukken weven, tapijten op maat gemaakt van de persoon voor wie ze bestemd zijn. Met het samenwerkingsverband Azetta willen we een draagvlak creëren voor jongeren en volwassenen met ernstige gedrags- en emotionele problemen die zich moeilijk invoegen in een veralgemeend stramien. Het beoogde draagvlak vergt dus telkens weer een creatieve bedrading die specifiek afgestemd is op de persoon met wie we aan de slag gaan.

Bij de oprichting van Azetta werd leefgroep De Schering opgenomen in het samenwerkingsverband.

Voor de bespreking van bepaalde opnamevragen, vorming van individuele werkhypothesen en casusbesprekingen kan men ook beroep doen op Azetta.


3. Doelgroep De Schering


De Schering biedt internaat aan voor schoolgaande jongeren tussen 12 en 21 jaar oud met een licht tot matige mentale beperking (type 1 & 2), voor wie de zoektocht naar een gepast begeleidingsaanbod bijzonder problematisch verloopt. Bovenop de verstandelijke beperking dragen deze jongeren een bijkomende GES (gedrags- en emotionele stoornis) of GES+ (extreme gedrags- en emotionele stoornis) etiket. De nieuwe naamgeving (GES, GES+) gaat niet gepaard met een welomschreven lokalisering van deze doelgroep binnen het breder domein van de zorg. Horen deze jongeren nu thuis binnen het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH)? Zijn ze niet beter af binnen de Bijzondere Jeugdzorg of passen ze dan toch thuis in de Kinder- en Jeugdpsychiatrie (geestelijke gezondheidszorg)? Vaak gaat het om multiprobleemdossiers, die zwaar om dragen zijn en moeilijk te behandelen. Een pasklaar antwoord lijkt niet direct beschikbaar.

Om opgenomen te kunnen worden in De Schering gaan we ervan uit dat deze jongeren ten minste één opname achter de rug hebben in een psychiatrisch centrum of OBC. We wensen te beschikken over voldoende informatie zowel op diagnostisch, medisch, psychologisch als sociaal vlak.

Onze doelgroep betreft dus jongeren die gedurende hun levensloop gelabeld worden met ernstige diagnoses die, naargelang de achtergrond van de hulpverlening, sterk uiteen kunnen lopen: psychiatrische stoornissen (zie DSM) zoals autismespectrumstoornis, hechtingsstoornis, leerstoornissen, ADHD, stemmingsstoornis, persoonlijkheidsstoornis, aanpassingsstoornis (ernstige gedrags- en of emotionele stoornis), etc. Probleemgedragingen zoals ernstig destructief gedrag, automutilatie, verbale en fysieke agressie, ontremde sexualiteit, etc. komen frequent voor. Het zijn jongeren waarvan iedereen het gevoel heeft dat ze over grenzen gaan, zowel over grenzen van andere jongeren als over grenzen van begeleiders als over maatschappelijke grenzen. Op verschillende terreinen (leefgroep, thuis, school, vrije tijd …) loopt het uiterst moeilijk en vaak vallen ze overal uit de boot.

Veel van de jongeren lijken zich nergens te kunnen verankeren. We zouden kunnen zeggen dat het vaak jongeren zijn zonder verhaal of zonder recht op een verhaal. Velen onder hen vertoeven reeds jarenlang in instellingen, anderen komen op een bepaald moment op een breekpunt te staan waardoor een andere, meer specifieke vorm van zorg aangewezen is. Naast hun reële trauma van een mentale handicap worden deze jongeren vaak geconfronteerd met andere reële traumatische gebeurtenissen (vb. verwaarlozing, misbruik, …) op jonge leeftijd waardoor de ontwikkeling van een veilige hechting op de helling komt te staan. Deze kwetsuren beïnvloeden de verdere ontwikkeling van het kind.

Omwille van de mentale beperking van het kind en de ontoereikendheid van een garanderende ander (= ouders of eerste verzorger van het kind) en/of moeizame afstemming tussen kind en ouder, merken we dat de problemen van het kind zich vooral manifesteren in relationele verhoudingen. Basisvragen zoals ‘Mag ik er zijn?’, ‘Word ik graag gezien?’, ‘Heb ik recht tot bestaan’, ‘Heb ik recht op spreken’, ‘Word ik verlangd?’, ‘Wie ben ik?’, staan centraal en roepen heel wat onzekerheid en angst op. Men is uiterst gevoelig om afgewezen te worden en men kan moeilijk een verschil, een tekort, een verlies verdragen. Het register van de onmiddellijkheid, de behoefte en de vraag primeert in hun leven. Hierover spreken is moeilijk en woorden schieten tekort om te benoemen wat ze voelen en ervaren. Ageren, acting-out, lijkt vaak hun enige antwoord of uitweg te zijn. Tijdens de puberteit treden ook heel wat lichamelijke veranderingen op die voor de nodige verwarring en onrust zorgen. Vragen rond hun identiteit, meer specifiek rond hun seksuele identiteit, komen op de voorgrond te staan. Dit vormt een extra uitdaging voor de hulpverleners.

Wij gaan ervan uit dat de problematische gedragingen van de jongeren gelezen kunnen worden als een bepaald antwoord die ze geven op de hierboven beschreven moeilijkheden die ze ondervinden. Echter, vele jongeren situeren deze moeilijkheid buiten hen, in de anderen, in de omgeving of in hun eigen lichaam. Er is iets dat ze als bijzonder bedreigend ervaren en waarvan ze het gevoel hebben dat zij er voor niets tussen zitten. Ze hebben het gevoel dat anderen iets van hen willen, hen proberen te sturen. Sterker nog, ze voelen zich het voorwerp van een ander die het slecht met hen voor heeft, hen in hun macht heeft. Ze voelen zich overgeleverd aan de onbegrensde slechte wil van die ander en ervaren een volledig controleverlies. Op die ervaring kunnen ze slechts met inzet van hun hele zijn, met groot geweld en dus met veel agressie antwoorden.

In De Schering willen we, samen met de jongere, mee helpen zoeken naar en bouwen aan een verhaal waarin hij of zij zich kan inschrijven. Aangezien het verhaal van de jongere vaak dreigt verloren te gaan of bedolven geraakt onder de luide stem van o.a. ouders, voogd, instelling, school, jeugdrechtbank, comité bijzondere jeugdzorg, etc. proberen wij een plaats te creëren voor de stem van het kind, voor het particulier verlangen van elke jongere. Een voorwaarde om mee hun verhaal te kunnen reconstrueren en op te bouwen, is de creatie van een veilige plek voor de jongere, een plek waar men kan ‘zijn’ in al zijn gedaantes en van waaruit men stapsgewijs verder kan ontdekken, ontmoeten en groeien.


4. Visie & werking De Schering


Alles begint bij het begin, namelijk met een naam. Zoals Azetta verwijst naar het weefgetouw, staat Schering voor de scheringdraden of kettingdraden waartussen de draden of inslagen worden geweven. Aan de hand van deze metafoor willen we onze werking van betekenis voorzien.

“Voor het weven spant men een aantal draden in verticale richting parallel op. De constructie waarop dit gebeurt, heet scheren. De opgespannen draden heten schering. Soms moeten deze scheringdraden of kettingdraden gelijmd (gesterkt) worden om meer veerkracht en weerstand te hebben tegen breuk tijdens het weven. Vervolgens worden één voor één andere draden haaks hierop, op horizontale wijze tussen de schering door, in het weefgetouw ingelegd. Deze draden heten inslagdraden. Deze draden worden strak tegen elkaar aangedrukt” (http://nl.wikipedia.org/wiki/Weven).

Eenvoudig gesteld zouden we de scheringdraden kunnen vergelijken met de hulpverleners die rond en met de jongeren aan het werk zijn en de inslagdraden met de jongeren. De samenwerking tussen schering en inslag mondt steeds uit in een unieke creatie, een uitzonderlijk patroon of tekening. Op voorhand weten we dus niet altijd hoe het resultaat er zal uit zien. De scheringdraden vormen als het ware het frame, het kader waarbinnen de jongere functioneert. Afhankelijk van de complexiteit en de zwaarte van de problematiek van de jongere zullen de scheringdraden sterker moeten zijn en/of harder aangespannen moeten worden om de inslagen goed te kunnen opvangen. In vergelijking met andere leefgroepen zou men kunnen stellen dat het vooral een kwantitatief verschil betreft: meer en zwaardere inslagen noopt ons tot meer overleg, meer spreken en reflectie om o.a. de betekenis van de inslagen te doorgronden en om zorg te dragen voor de spanningsboog van onze scheringdraden.

De sterkte van de scheringdraden wordt door verschillende elementen mee bepaald. Een van deze elementen is de visie, het kader, de theorie waarmee we elke dag opnieuw aan de slag gaan. Het kader van De Schering bestaat uit een psychodynamische kijk op ontwikkeling en pathologie met een psychoanalytisch en institutioneel psychotherapeutisch geïnspireerd gedachtegoed.

Vanuit een aantal centrale vragen, zeer eigen aan het mens zijn, proberen we ons spreken over de jongere te laten vertrekken. Hoe legt iemand contact? Hoe gaat het met iemand? Hoe is zijn/haar stemming? Wat vindt de jongere leuk en niet leuk? Waar geniet hij/zij van? Welke keuze maakt hij/zij in objecten? Kan iemand goed om met afspraken/regels/autoriteit? Hoe reageert iemand op verlies/frustratie/grenzen? Functioneert iemand beter in groep of op zichzelf? Enz.

Afhankelijk van het soort vraag (lees afhankelijk van het soort pathologie) dat primeert, pogen we samen met de jongere een antwoord te formuleren (= weven aan het uniek tapijt). Dus vanuit de logica van elke jongere bieden we een afgestemd hulpverleningsaanbod aan. Dit vertaalt zich op verschillende niveaus:

-Op collectief niveau: collectieve regels en afspraken zijn nodig om een werking draaiende te houden en om een veilig klimaat voor iedereen te kunnen garanderen. Er is een bondige handleiding uitgeschreven rond de dagdagelijkse werking. De Schering is een gesloten leefgroep (wat niet wil zeggen dat men de leefgroep niet kan verlaten onder afspraken) omwille van het grenzeloze die de historiek en problematiek van deze jongeren typeert. Sturing en limitering van buitenaf zijn nodig om het grenzeloze dat ze ervaren bij zichzelf en daarbuiten én bedreigend aanvoelt, in te dijken.

-Op individueel niveau: de jongeren van De Schering vragen een geïndividualiseerde aanpak. Dit vertaalt zich in de stijl van begeleiden, het aanbod van ruimtes (gemeenschappelijke ruimtes, studio’s, prikkelarme ruimtes, time-out ruimte, ateliers, afgesloten buitenplaats,..), het aanbod van schoolse trajecten (BUSO, GIW,..), vrije tijd, therapieën, etc. In tegenstelling tot andere leefgroepen wordt de klemtoon minder gelegd op het samen in groep doen, de groepswerking, net omdat het samenleven met anderen en het aangaan van relaties voor hen problematisch is. Interacties moeten gedoseerd gebeuren en worden sterk bemiddeld door begeleiding.

In leefgroep De Schering beschouwen we het als een uitdaging om aandacht te hebben voor de particulariteit van de jongeren. We willen niet op voorhand alles al weten in hun plaats en gaan ervan uit dat elk van hen ons kan leren hoe we hen kunnen ondersteunen. We staan open voor hun vragen en proberen een vraaggestuurde werking af te stemmen op ons aanbod. We proberen uit hoe we ons minder bedreigend kunnen maken en hoe ze kunnen ervaren dat een begeleider ook een ondersteunende partner kan zijn. Dit zal voor elke jongere verschillend zijn. We nemen afstand van een louter protocollaire werkwijze.


5. Samenwerking met school


Voor de jongeren in De Schering is het zeer belangrijk om naast de plek waar men het grootste deel van zijn tijd doorbrengt, nog een andere plek te hebben. School (in al zijn vormen) is zo’n plek. Een goede samenwerking tussen MPC en school is broodnodig om samen te kunnen denken over de best mogelijke parcours die we kunnen (uit)vinden voor de jongere. Om de brug te slaan tussen school en MPC is een orthopedagoog in dienst om besprekingen en overlegmomenten bij te wonen. De zorgcoördinator wordt op zijn/haar beurt uitgenodigd op besprekingen rond de jongere op school en heeft de opdracht om (indien gewenst) betrokkenen samen te brengen.

Met betrekking tot De Schering zijn er momenteel volgende mogelijkheden:

In de mate dat het voor de jongere en de school haalbaar is om aan te sluiten bij een klaswerking, prefereren we een voltijds schoolgaand traject (BUSO).

Jongeren die de schoolse verwachtingen niet aankunnen, kunnen aansluiting vinden in een geïntegreerde werking (GIW).

Wanneer een voltijds schooltraject voor de jongere niet haalbaar blijkt, kan De Schering een beperkte dagbesteding aanbieden (steeds afhankelijk van de beschikbare middelen).

We hopen dat er in het kader van Azetta ook ateliers buiten De Schering opgestart zullen worden. Middels deze werking willen we aan de jongeren de mogelijkheid geven om een eigen circuit uit te bouwen, aan de hand van activiteiten en met de hulp van andere mensen waarmee het enigszins lukt om iets van een band op te bouwen.


6. Team De Schering


Het team van De Schering bestaat uit het begeleidingsteam (met coördinator, zorgcoördinator, teamcoach & gezinsbegeleider) en de begeleiders (opvoeders). Aan het team van De Schering zijn ook therapeuten verbonden. De sterkte van de kettingdraden (= de draagkracht van het team) wordt enerzijds beïnvloed door de heftigheid van de inslagdraden (= de acting-outs van de jongere), maar hangt ook samen met de kettingdraden zelf.

We werken met jongeren die in hun antwoord op hun eigen moeilijkheden vaak heel sterk, met verbaal en fysiek geweld, reageren op hun omgeving. Waar we in ons werk van hulpverlener betrokken zijn op het werk dat we doen, is het uitgesloten dat we nooit persoonlijk geraakt worden. Maar niet elk antwoord dat we vanuit onze betrokkenheid geven, is een professioneel juist handelen. Net deze groep van jongeren zal ons wellicht uitdagen, persoonlijk raken en zal ons begeleiderschap verregaand ondervragen. Wie zijn we, waarom kiezen we voor dit werk, wat zijn onze sterkten en zwakten, welke weg vinden we daarin…?

In het wekelijkse team proberen we aan de hand van observaties, bedenkingen, gebeurtenissen onze inhoudelijke uitgangspunten met betrekking tot een jongere scherper te formuleren. We toetsen of onze werkhypothese bevestigd wordt, of dient bijgestuurd te worden. We gaan ervan uit dat we in de dagdagelijkse ervaringen met de jongeren verrassingen gaan tegenkomen, positieve en negatieve, die ons aanknopingspunten geven om ons begeleidingsaanbod aan te passen: wat wordt er door de jongere onverwacht als heel bedreigend ervaren, waar moeten we voorzichtig mee zijn, wat wordt er door de jongeren onverwacht als heel ondersteunend ervaren, waar kan hij als subject mee aan de slag om een minder problematische omgang te vinden met zijn omgeving. Het kan hier gaan om ontmoetingen met begeleiders, andere jongeren, ontmoetingen met andere volwassenen, met materiaal, bepaalde situaties, enz. Elke gebeurtenis kan instructief zijn. Het is dan ook zeer zinvol om nota te nemen van dagdagelijkse gebeurtenissen, maar het is zeker onontbeerlijk dat deze informatie uitgewisseld wordt. Het kan boeiend zijn om de besprekingen van de jongeren te organiseren rond vragen die rijzen vanuit de begeleiding van de jongere, om de logica te zoeken in verschillende gebeurtenissen, om te zoeken wat die jongere zelf subjectief bezighoudt.

Daarnaast is het team de plaats waar we onszelf en elkaar kunnen bevragen en laten bevragen met betrekking tot ons professioneel handelen ten aanzien van de jongeren en waarrond we samen werken. In de praktijk van alle dag handelen we zoals we kunnen op het moment zelf, vaak in hectische samenlopen van omstandigheden, soms op een koelbloedige wijze, soms vanuit onze emoties. Het werk van begeleiders is in dat opzicht aartsmoeilijk, quasi onmogelijk. Elke begeleider heeft een mandaat voor het werk dat hij doet, voor de vele juiste keuzes die hij in die hectische momenten wellicht maakt, voor de foute inschattingen die wellicht even onafwendbaar ook frequent gebeuren. In het samen werken van alle dag is het nodig om beroep te kunnen doen op elkaar, is het nodig om tussen te komen als een collega er alleen niet uitgeraakt. Als de emoties gezakt zijn, is het absoluut nodig dat we ons kunnen bevragen over wat er in die hectische momenten gebeurd is, dat we ons kunnen beraden over wat dit ons leert over de jongere enerzijds, of over ons eigen aandeel anderzijds. Opdat we kunnen samen werken als team is het absoluut nodig dat we een plaats kunnen geven aan het onmogelijke van het werk dat we doen als hulpverlener. Wanneer we dit aspect van onmogelijkheid uit het oog verliezen, te snel willen gaan, te gedreven zijn om de jongere te willen genezen, enz. dan riskeren we onze eigen bruggen op te blazen met een burn-out mogelijks tot gevolg. Langs de andere kant vormt het een uitdaging voor begeleiding om met de chroniciteit van de problematiek van de jongere weten om te gaan en gaande weg niet in slaap te dommelen.

Wat betekent dit voor de deskundigheid en de positie van begeleiders?

We rekenen op de eigen belangstelling en de eigen stijl van elke begeleider die zich inzet voor de jongeren van De Schering als een mogelijk aanknopingspunt voor het werken met de jongeren. We verwachten een attitude van elke begeleider verbonden aan De Schering om de bereidheid te hebben zichzelf te laten bevragen, bereid te zijn om bij te leren, om samen te werken en zich te engageren. Bovendien is het ook zeer belangrijk dat we ons als begeleider niet te snel persoonlijk geviseerd voelen. Tegelijk kunnen we er op rekenen dat we in het werken met deze jongeren niet alleen hen maar ook onszelf en onze collega’s zullen tegenkomen. Wellicht is het ook onvermijdelijk dat er momenten zijn dat we zo geraakt zijn dat het niet meer mogelijk is om een situatie juist in te schatten. Op dat moment is het beter om de hulp van een collega in te schakelen en te aanvaarden.

We geloven dat de kracht van onze deskundigheid meer ligt in ons verlangen om samen met de jongeren steeds opnieuw te zoeken dan in een routineuze toegepaste ervaring.


7. Gezinsbegeleiding


Naast de problemen die de jongere ervaart, zien we elke aanmeldingsvraag ook als een uiting van problemen die ouders ervaren in hun ouderschap. We vinden het belangrijk dit onderscheid van bij aanvang te maken omdat dit enerzijds aan de jongere de ruimte geeft om een eigen probleemstelling/vraag te formuleren en anderzijds ouders uitnodigt om aan de slag te gaan met de problemen die zij ervaren in de uitoefening van hun ouderschap.

Evenals de jongeren waarmee we werken ervaren de ouders vaak de buitenwereld als bedreigend. Ze hebben weinig weet van hun eigen binnenwereld en die van hun kinderen. Ze zijn vaak machteloos, worden geleefd. Deze vaak onverdraaglijke gevoelens worden geprojecteerd op het kind. Het is belangrijk dichtbij de primaire affectieve ervaringen van ouders te blijven en een werkelijkheidsgehalte te geven aan de belevingen van ouders. Door de ouders te valideren in wat zij ervaren, ontstaat het besef, soms eerste besef, dat ze zelf iemand zijn met een eigen belevingswereld. Dit besef is belangrijk omdat we vaak merken dat de binnenwereld van ouders en kind door elkaar lopen, slecht afgegrensd zijn. Een verschil maken tussen concrete werkelijkheid en ervaren werkelijkheid en tussen affect van het kind en dat van de ouder is een belangrijke stap voor de ontwikkeling van het kind en het mentaliseringsproces van ouders.

Het aangaan van een ouderbegeleiding impliceert het erkennen van een hulpvraag door ouders. Hulp vragen is een complex proces, vooral wanneer de ouders zelf onveilig gehecht zijn. In de ouderbegeleiding willen we ons als ouderbegeleider focussen op het werken vanuit een identificatie met de ouder in plaats van de ‘verleidelijke’ identificatie met het kind. Daarom is het belangrijk naast de ouder te gaan staan en proberen in contact te komen met diens binnenwereld. Het is nodig om samen met ouders een coherent verhaal te creëren waarin betekenissen van ervaringen benoemd en erkend kunnen worden. Een eerste stap is komen tot een samenwerkingsrelatie waarin ouders zich begrepen en au serieus genomen voelen bij hun vragen en moeilijkheden in ouderschap. Dit kan een gevoel van gedeelde ervaring geven waardoor het gevoel van veiligheid toeneemt. Vanuit de relatie met de ouderbegeleider als container voor onverdraaglijke gevoelens kan de ouder zichzelf ervaren, begrijpen en reguleren in plaats van deze onverdraaglijke gevoelens te projecteren op het kind.

Wanneer ouders vanuit de ervaren veiligheid en echtheid in het contact de begeleiding van hun kind kunnen zien als een samenwerking tussen hen en de begeleiders, is er een basis voor het ontwikkelen van een mentalisering bij de ouders.


8. Procedures


8.1. Opname, diagnostiek en werkhypothese.


Een opnamevraag voor De Schering kan enkel gesteld worden via het kern opnameteam van het MPC. Volgende opnamecriteria worden nagekeken:

- tussen de 12 en 21 jaar oud

- mentale beperking (licht tot matig)

- grondige diagnostiek beschikbaar door erkende instantie (door een observatie en behandelcentrum, psychiatrische dienst) + advies m.b.t. hulpverlening door erkende instantie

- problematische geschiedenis m.b.t. school en/of hulpverlening

- GES of GES+ ticket


Bij een open plaats (of perspectief op een open plaats) wordt de opnamevraag doorverwezen naar het hypotheseteam van Azetta [coördinator, zorgcoördinator, gezinsbegeleider, teamcoach, directie school, Zonnelied (Johan/Steve) en kinderpsychiater Dr. Geusens] waar we een eerste rode draad proberen te vinden in de verzamelde informatie. De nodige verslaggeving wordt op voorhand naar de verschillende partijen doorgestuurd: diagnostisch onderzoek van vroeger en nu, observatiegegevens, anamnestische gegevens van de jongere zelf en zijn familie. We komen tot een eerste inhoudelijke werkhypothese over wie de jongere is en hoe we zijn problemen kunnen begrijpen.

In het opnameteam van De Schering (coördinator, zorgcoördinator, gezinsbegeleider, teamcoach, directie school & Dr. Geusens) beslissen we inhoudelijk of een opname mogelijk is in De Schering. We bekijken of een opname praktisch kan georganiseerd worden en op welke termijn. We onderzoeken vragen zoals de mogelijkheden van de school om een aanbod te doen, de mogelijkheden van De Schering om een aanbod te doen in de dagwerking, de nood aan infrastructurele aanpassingen, enz.

Is het resultaat van laatste bespreking positief, dan plannen we een consultatiegesprek. Met onze hypothese en naargelang onze hypothese gaan we in gesprek met de jongere en zijn ouders en met de hulpverlenende instantie die doorverwijst.

In het gesprek met de jongere zijn we zeer geïnteresseerd in wat de jongere zelf van zijn moeilijkheden kan zeggen of niet kan zeggen. We beschouwen dit als een aangrijpingspunt om met de jongere aan het werk te gaan. Hier start onze therapeutische relatie.

In het gesprek met de ouders luisteren we naar hun verhaal. Welke weg is er al gegaan, wat verwachten ouders van een opname in De Schering en wat kunnen we al dan niet bieden.

Bij een opname in De Schering wordt de psychiater verantwoordelijk gesteld voor medicamenteuze opvolging van de jongere.


Alle voorafgaande informatie wordt samengebracht en de jongere wordt voorgesteld aan het team van De Schering. De school kan hierop uitgenodigd worden. De werkhypothese wordt besproken en bewerkt en is richtinggevend voor het begeleidend kader waarmee we vertrekken en zal ons handelen in de praktijk sturen. Voor elke opname spreken we af op welke manier we aan de slag gaan en hoe we de opname verder operationaliseren.